Autisme en coöperatief leren

admin
Auteur(s): Suzanne de Haas-Lor

Suzanne de Haas-Lor is afgestudeerd aan de Lerarenopleiding Basisonderwijs, verkorte deeltijd, en gespecialiseerd in het oude kind.

Autisme en coöperatief leren

Het effect van samenwerkend leren op het spelen met klasgenoten.

In mijn stageklas (groep 5) zit een meisje met autisme. Ondanks de goede sfeer in de groep valt het meisje erbuiten met spelen. Het wordt steeds meer duidelijk dat ze anders is dan de anderen. Ik heb onderzocht of het meisje een betere aansluiting kan vinden met haar klasgenoten door in de klas te werken met samenwerkend (coöperatief) leren. Als dat het geval is, is dat gunstig voor het meisje maar ook voor andere kinderen met autisme binnen de school.

Dit afstudeeronderzoek richt zich op de volgende onderzoeksvraag: Heeft coöperatief leren voor kinderen met autisme een positief effect op het spelen met klasgenoten?

Uit de literatuur blijkt dat kinderen met autisme veel moeite hebben met het sluiten van vriendschappen. Ze hebben deze vriendschappen nodig om zich verder te ontwikkelen op sociaal gebied, maar zijn tegelijkertijd minder in staat die vriendschappen te sluiten doordat ze slechts beperkt rekening kunnen houden met een ander. Op school ligt een belangrijke taak voor de leerkracht om kinderen met autisme te begeleiden in sociale vaardigheden.

Mijn onderzoeksmethode bestaat uit de volgende onderdelen:

  • Observaties op het plein en tijdens het overblijven
  • Sociogram
  • Gesprek met moeder van X
  • Evaluatie-instrument voor X (waarop ze in de vorm van een soort thermometer kan aangeven hoe het samnewerken en spelen die dag ging en ook of het leuk was).
  • Uitvoeren van werkvormen coöperatief leren en observeren en aanleren van sociale vaardigheden. Daarbij maak ik gebruik van een lijst van sociale vaardigheden van Förrer, Kenter en Veenman (2000).

Bij coöperatief leren wordt uitgegaan van vijf basisprincipes die samenwerkend leren effectief maken:

  1. positieve wederzijdse afhankelijkheid;
  2. individuele verantwoordelijkheid;
  3. directe interactie;
  4. samenwerkingsvaardigheden;
  5. evaluatie van het groepsproces (Förrer, Kenter, & Veenman, 2000).

Er zijn verschillende manieren om samenwerkend leren vorm te geven, o.a.:

  • De leerkracht kan regels voor samenwerken aanleren.
  • Er kunnen werkvormen worden geselecteerd die geschikt zijn voor een bepaalde taak. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van materiaal dat de taak structureert.
  • De leerkracht kan rollen en taken verdelen.
Als er een kind met autisme in de klas zit, moet de leerkracht rekening houden met bepaalde zaken:
  • Het kind zou moeten samenwerken met een sociaal vaardig kind.
  • Het is raadzaam om te beginnen in tweetallen en met een beperkt aantal werkvormen.
  • Sociale vaardigheden moeten expliciet worden aangeleerd, eventueel individueel, waarbij voorbeelden gebruikt kunnen worden.

Bij de observaties van het coöperatief leren bleek dat X en de klas verschillende vaardigheden nog moeten ontwikkelen. X moet inbreng durven hebben en vriendelijk op de andere kinderen reageren. De anderen moeten elkaar gelegenheid geven om mee te doen, de inbreng van een ander accepteren, elkaar laten uitpraten en om de beurt praten.

Ik kan concluderen dat er tijdens dit korte onderzoek op sommige vlakken verbeteringen zijn waar te nemen en kleine veranderingen zijn opgetreden. Als ik naar het evaluatie-instrument van X kijk, zie ik een verbetering: X lijkt meer plezier te ervaren in het spelen en samenwerken. Met het spelen na schooltijd is er ook ontwikkeling. X heeft twee keer afgesproken met meisjes uit haar klas.
Op andere vlakken is er minder verbetering opgetreden en zouden, naast coöperatief leren, andere interventies kunnen plaatsvinden. Bij het spelen in de pauze heb ik geen grote verbeteringen waargenomen in het spel. X speelt met anderen als haar leerkracht intervenieert en vraagt wie met haar wil spelen. Bij het overblijven zit X meestal alleen. Toch is wel te zien dat X zich ontwikkelt: als ze eenmaal aan een kind of groepje is gekoppeld, blijft ze meer bij het groepje staan en doet ze pogingen om mee te doen met het spel.

Mijn conclusie is dat coöperatief leren heel waardevol kan zijn voor kinderen met autisme en dat het belangrijk is om structureel aandacht te besteden aan sociale vaardigheden.

Enkele suggesties die ik in mijn onderzoek noem:
Het coöperatief leren zou ik aanvullen met het nog intensiever begeleider van X op het plein en tijdens het overblijven.
Tijdens de weektaak zou de leerkracht X wat vaker een spelletje kunnen laten doen met een paar klasgenoten.

Aanbevolen literatuur:

  • Baltussen, M., Clijsen, A., & Leenders, Y. (2003). Leerlingen met autisme in de klas. Den Haag: Landelijk Netwerk Autisme.
  • Förrer, M., Jansen, L., & Kenter, B. (2004). Coöperatief leren binnen passend onderwijs. Amersfoort: CPS onderwijsontwikkeling en advies.
  • Förrer, M., Kenter, B., & Veenman, S. (2000). Coöperatief leren in het basisonderwijs. Amersfoort: CPS onderwijsontwikkeling en advies.
  • Vugt, J. M. (2007). Coöperatief leren binnen adaptief onderwijs. Baarn: HB Uitgevers.