De hele taak. Startpunt voor het opleiden van artsen ...

Auteur(s): Bartel Hulst, Alwin Lagraauw, Jolande Nijkamp en Jan Wulterkens
De auteurs van dit blog zijn studenten van de masteropleiding Leren & Innoveren, gestart in 2015

De hele taak. Startpunt voor het opleiden van artsen tot meubelmakers

Een master Leren & Innoveren blog

Hoe kan ‘deep learning’ gestimuleerd worden bij studenten? In de masterclass van Joop van der Schee werd aandacht besteed aan het stellen van uitdagende vragen. Dr. Jos Fransen, lector Teaching Learning and Technology bij hogeschool Inholland, ging in zijn masterclass in op hoe je dat diepteleren kunt stimuleren en zichtbaar kunt maken bij kennis en vaardigheden die in beroepspraktijken worden toegepast. Daarbij werden we meegenomen in de ontwikkeling van een geneeskundestudent die meubels en kunst ging maken om tenslotte college te geven over het ontwerpen van onderwijs. Een pleidooi voor een holistische visie op onderwijs.

Constructive alignment

Bij het ontwikkelen van deze zogenaamde complexe beroepsvaardigheden benadrukte Jos Fransen het belang van ‘constructive alignment’ (Biggs). Dat wil zeggen dat de vormgeving van het leertraject en de toetsing afgestemd moeten zijn op de beoogde leeropbrengsten. Dat lijkt een voor de hand liggend punt te zijn, maar als het bijvoorbeeld de bedoeling is dat kennis in complexe praktijksituaties wendbaar wordt toegepast, dan is het niet zinvol om die kennis te toetsen met reproductietentamen (wat in de praktijk wel vaak gebeurt).

Om onderwijs te kunnen ontwerpen waarin sprake is van constructive alignment moeten de beoogde leeropbrengsten heel duidelijk geformuleerd zijn. De Structure of the Observed Learning Outcomes (SOLO)-taxonomie van Biggs biedt ondersteuning bij het formuleren van die leeropbrengsten door uit te gaan van observeerbare leeropbrengsten. Een doel geformuleerd als ‘De student kan een indeling maken van…’ is wel observeerbaar, maar een doel als ‘De student heeft begrip van…’ niet, en dit zijn leerdoelen die we wel vaak zien! In de taxonomy worden vijf niveaus onderscheiden, waarbij op de drie hoogste niveaus sprake is van de kwalitatieve fase waarin deep learning plaatsvindt.

Het verschil tussen diepteleren en oppervlakteleren wordt mooi geïllustreerd in de video "Teaching Teaching & Understanding Understanding" (3 filmpjes, lees ook hier): 

4C-ID-model

In de dagelijkse onderwijspraktijk leidt het opstellen van doelen meestal tot ‘compartimentering’ en ‘fragmentatie’. Dat is het geval doordat cognitieve, affectieve en motorische doelen als aparte compartimenten van elkaar worden onderscheiden en vervolgens de leerstof in heel kleine stukjes wordt opgedeeld. Hoewel onderwijs transfer van opgedane kennis en vaardigheden voor ogen heeft, wordt die door deze opsplitsing in doelen juist niet bereikt.

Fransen hield daarom ook een pleidooi voor een holistische visie op onderwijs, een visie waarin wordt uitgegaan van de ‘hele taak’ die moet worden uitgevoerd. Zo’n visie is door Merriënboer, Clark & Croock uitgewerkt in het 4C/ID instructiemodel (1992). Dit instructiemodel is ontworpen voor het ontwikkelen van complexe beroepsvaardigheden waarin kennis en vaardigheden geïntegreerd zijn en die flexibel ingezet moeten kunnen worden, professionele competenties. Het model is gemaakt vanuit de visie dat er tijdens het leren altijd zicht moet zijn op de volledige complexe taak (het einddoel). De naam verwijst naar de vier noodzakelijke componenten in het model: leertaak, ondersteunende informatie, procedurele informatie en deeltaakoefening.

Dit model is niet binnen een korte tekst te beschrijven maar wordt ook duidelijk uitgelegd in dit filmpje.

Het 4C/ID model is een inspirerend model dat voor het uitwerken naar de eigen beroepspraktijk vele mogelijkheden maar ook vragen opriep. Onderwijs vormgeven volgens het 4C/ID model vraagt goed overzicht van de docent over het leergebied. Dat bleek ook tijdens de oefening die we uitvoerden voor een eerstejaars student geneeskunde, waarbij werd gediscussieerd over de relevantie van een taak als ‘infuus aanbrengen’.

Bespreking van de modellen constructive alignment en 4C/ID,  maakte duidelijk dat het ontwerpen van onderwijs moet beginnen bij het hebben van een scherp beeld van de beoogde leeropbrengsten. Deze leeropbrengsten worden bij voorkeur afgeleid van betekenisvolle taken vanuit de concrete beroepspraktijk en beschreven in zichtbaar gedrag.  

De masterclass behandelde pittige materie maar tijdens de uitvoering van de werkvormen bleek dat we het ‘misses point’ uit de SOLO-taxonomie voor deze ontwerpprincipes achter ons hebben gelaten vandaag.